Spel van rivier en wal in Gelderse Poort

‘Kernkwaliteit’ is het sleutelbegrip in het beleid voor de Nationale Landschappen. Het is de bedoeling dat in deze landschappen nauwkeurig omschreven kwaliteiten beschermd en ontwikkeld worden. Maar wat zijn die kwaliteiten, hoe zien ze er uit en wat wordt gedaan om ze te behouden?
Elke maand bezoekt Gelders Bouwmeesterschap een van de vijf Nationale Landschappen van Gelderland: Winterswijk, Graafschap, Veluwe, Gelderse Poort en Rivierengebied. Dit keer de kernkwaliteiten van Nationaal Landschap Gelderse Poort.

Mark Hendriks

Hemelsbreed is het maar een paar kilometer van de weidse uiterwaarden van de Ooijpolder naar het bosrijke reliëf van de Nijmeegse stuwwal. De overgang is ongekend, de contrasten zijn overweldigend. Met Martin Bons rijden we over de Zevenheuvelenweg, beroemd door de Nijmeegse vierdaagse. Om ons heen glooiend landschap, met bossen, landhuizen en akkers, omrand door meidoornhagen. ‘Dit is wel even anders, hè?’, lacht Bons. ‘Zo sta je aan de Waal met je voeten in de drassige poldergrond en binnen tien minuten waan je jezelf in een on-Nederlands heuvellandschap.’ Treffender had Bons – namens het provinciaal Bureau Rivierengebied gebiedsontwikkelaar van Nationaal Landschap Gelderse Poort – de bijzondere kracht van dit gebied niet kunnen verwoorden.
Want bijzonder is het zeker. Waar de meeste Nationale Landschappen symbool staan voor een kenmerkend landschapstype – veenweide, geometrisch verkavelde polder, kleinschalig coulisselandschap – liggen in het kleine Gelderse Poort twee zeer uiteenlopende landschapstypen direct naast elkaar.

Het heeft iets pragmatisch. De stuwwal was oorspronkelijk geen onderdeel van het Nationaal Landschap en is op verzoek van de gemeente Groesbeek toegevoegd. ‘Maar’, zo stelt Bons, ‘beide landschappen hebben wel degelijk met elkaar te maken. De stuwwal is opgestuwd door landijs tijdens de laatste ijstijd, en later kreeg de rivier hier zijn bedding. Dieren uit de uiterwaarden foerageren op de stuwwal. En bovenal is het erg mooi, de beleving van de wal vanuit de polders en andersom.’
Het gegeven dat de stuwwal – volgens Bons de grootste kwaliteit van het gebied – in eerste instantie niet tot het Nationaal Landschap behoorde, tekent de turbulente voorgeschiedenis. Zo was er in het begin geen bestuurlijk draagvlak voor de Gelderse Poort, omdat Gedeputeerde Staten in het streekplan andere gebieden als waardevol hadden bestempeld, de zogenoemde prioritaire gebieden. Bons: ‘Het rijk is redelijk eigenzinnig geweest om eigenstandig Nationale Landschappen te benoemen, terwijl de provincie Gelderland andere gebieden op zijn aandachtslijstje had staan. Bovendien was het Haagse budget van twee miljoen euro tot 2013 niet direct overtuigend.’ Bons en zijn collega’s wisten hun bestuurders uiteindelijk te overtuigen de Gelderse Poort als Nationaal Landschap te omarmen. ‘Hoe je het ook wendt of keert, landschap kwam op de agenda, wat in dit gebied met het geweld van natuurontwikkeling en landinrichting niet zo gek was.’

Daarmee was de zaak niet af. Ten eerste zagen de Gelderse beleidsmakers niets in de kernkwaliteiten die het rijk in de Nota Ruimte voor het gebied had opgesteld. En ten tweede had de begrenzing nogal wat voeten in de aarde – naast de toevoeging van de stuwwal wilde de provincie ook het gebied rondom de Linge toevoegen. Bons legt uit: ‘De kernkwaliteiten van het rijk waren helemaal niet specifiek voor deze regio. Kleinschalige openheid is wat mij betreft een zeer onduidelijke omschrijving, een tegenstelling zelfs. En groen karakter geldt voor heel Nederland, terwijl oeverwallen en dijken in het hele rivierengebied zijn te vinden.’
Volgens Bons werden daarmee belangrijke karakteristieken over het hoofd gezien, zoals cultuurhistorische elementen en de overal zichtbare geschiedenis van het leven met en de strijd tegen de rivieren. ‘Dit gebied is letterlijk een poort. Het Rijnwater stroomt tussen de Nijmeegse stuwwal en het eveneens hoger gelegen Montferland ons land binnen. Overal zie je dat de mensen hier altijd met water hebben geleefd. Terpen, een fijn stelsel van dijkjes en zelfs verdronken dorpen.’ Bons wijst naar de een kerktoren in de verte. ‘Dat is Oud-Zevenaar. Die kerk is pal tegen de dijk aangebouwd.’

Nadat we aan het begin van de tocht fort Pannerden zijn gepasseerd – een vooruit geschoven post van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en regelmatig doelwit van krakers – en via een pontje het Pannerdens Kanaal – dat het Rijnwater verdeelt over de Waal en de Neder-Rijn – zijn overgestoken, komen we bij een van de grootste rijnstrangen van het gebied. Een strang toont de vroegere loop van de rivier. ‘Deze strang stroomde tot voor kort nog mee met de huidige Rijn’, vertelt Bons, als we aan de rietoever staan. De lucht is strakblauw, het water bevroren en de rijp staat op het gras. ‘Het is moeilijk voor te stellen dat dit ooit de hoofdrivier was. Nu is het een belangrijk natuurgebied en maken we het toegankelijk via struinpaden en trekpontjes.’
Als we later richting de Ooijpolder rijden – befaamd wegens de natuurontwikkeling volgens de principes van het beroemde Plan Ooievaar – vertelt Bons dat de Gelderse Poort met weinig bedreigingen kampt, de Betuwelijn daargelaten. ‘Maar dat neemt niet weg dat we continu alert moeten zijn. Als ik nu weer zie wat er voor beleid uit Den Haag komt, dan zie ik geen enkele consistentie. Zo’n Agenda Landschap, een nota over snelwegpanorama’s: het heeft allemaal geen relatie met het Nationale Landschappenbeleid. Onlangs is in de Ooijpolder een pilot gestart over financieringsmogelijkheden. Maar denk maar niet dat gekeken wordt naar projecten die onder de vlag van het Nationaal Landschap worden geïnitieerd.’

Veel van de projecten in de Gelderse Poort beperken zich tot het herstel van meidoornhagen, de renovatie van fort Pannerden, forten uit de IJssellinie, kasteel Doornenburg en de aanleg van fiets- en struinpaden. Meer kan je ook niet doen, meent Bons, want dan is het geld op. ‘Maar’, betoogt hij, ‘als gebiedsontwikkelaar heb ik vooral de taak om partijen in het gebied – boeren, bewoners, ontwikkelaars, gemeenten – te stimuleren in de geest van het Nationaal Landschap te handelen.’ Want iedereen wil dit gebied mooi houden, zeker vanuit recreatief en toeristisch oogpunt. ‘Dan moet je een gemeente soms helpen om bijvoorbeeld aan te haken bij de potenties van het Pieterpad dat hier doorheen loopt of adviseren over dorpsuitbreiding.’ Op dat moment passeren we net een nieuw wijkje aan de rand van Gendt. Bons, zuinig: ‘Dit kan nog net. Ik heb het elders beter gezien, maar ook slechter.’

Dit artikel verscheen eerder in Landwerk, nummer 1-2009.
 

reacties

reageren

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.