Landgoederen als passie

Tijdens het debat 'Nieuwe Landgoederen' op kasteel Groeneveld in april 2010 laat een gemêleerd gezelschap vanuit verschillende achtergronden zijn licht schijnen op het fenomeen nieuwe landgoederen. Het publiek bestaat uit kasteelheren en –dames, onderzoekers, ambtenaren van provincies en gemeenten, ondernemers, (landschaps)architecten, rentmeesters en adviseurs. De gesprekken gaan over de weerbarstige praktijk van het opstarten van een nieuw landgoed, over rode en groene functies, onderzoeksprojecten en natuurontwikkeling.

Waar hebben we het over?
Voor alle duidelijkheid geeft dagvoorzitter Walter Kooy in zijn welkomstwoord de definitie is van een nieuw landgoed. Dat is een nieuw te ontwikkelen en duurzaam te beheren boscomplex (al dan niet met overige gronden) met daarin één gebouw (woonhuis) van allure met daarin maximaal 2 à 3 wooneenheden. Het gebouw heeft primair een woonfunctie. De minimale omvang van de bebossing is vijf hectare. Maximaal 10 procent van het totale oppervlakte is privéterrein en de rest is openbaar toegankelijk. Het geheel heeft een belangrijke maatschappelijke meerwaarde.

Vervolgens geven drie deskundigen een inleiding op het debat. Frank Gorter is afgestudeerd op het onderwerp nieuwe landgoederen en plaatst deze in een eeuwenlange geschiedenis van landschapsontwikkeling. Opvallend is de huidige opleving na een periode vanaf de Tweede Wereldoorlog waarin nauwelijks initiatieven werden ontplooid. Gorter schrijft dit toe aan het feit dat de verzorgingsstaat (als reactie op de oorlog) alomtegenwoordig was en alle verantwoordelijkheid nam voor wederopbouw en het welzijn van zijn burgers. Hierdoor werd eigen initiatief niet gestimuleerd en leunde de burger achterover. Daar komt nu een kentering in door een aantal factoren. Zo is de burger steeds minder ‘onderdaan’ en steeds meer ‘partner’ van de overheid. Als het gaat om de stichting van nieuwe landgoederen grijpt de staat deze ontwikkeling met beide handen aan – al was het maar om de wettelijk gestelde natuurontwikkelingsdoelen met de hulp van particulier initiatief te halen.
Yttje Feddes, sinds 2008 rijksadviseur voor het landschap, buigt zich over de vraag wat er nodig is om landgoederen deel te laten uitmaken van het erfgoed van de 21e eeuw? Ze bepleit een vernieuwende vorm van landschapsarchitectuur, gebaseerd op een meervoudige visie op het fenomeen landgoed. Feddes wijst op het uiteenlopende provinciale beleid, met opvallende verschillen in de criteria voor de minimumomvang van een landgoed en het percentage bos. Volgens haar zou er niet op provinciaal niveau gestuurd moeten worden, maar op grotere landschappelijke eenheden.
De kern van het betoog van Peter Overwater, adviseur van initiatiefnemers voor rentmeesterkantoor Overwater, is dat een landgoed een ziel moet hebben. Die kan alleen door de mensen die er op wonen en er energie, tijd en geld in steken ontstaan. De initiatiefnemer dient zich dus niet afhankelijk en afwachtend op te stellen, maar moet het heft in eigen handen nemen. Hij kan met goede voorstellen aangeven hoe het volgens hem moet gebeuren en zo een pro-actieve en professionele houding ten opzichte van de gemeente innemen.

Minder doen met regels, meer met kwaliteit!
Aan de hand van zes door de deelnemers ingezonden stellingen wordt er gediscussieerd. De grootste gemene deler van de discussie is dat initiatiefnemers van landgoederen de ruimte en medewerking moeten krijgen die nodig is om goede resultaten te behalen. De huidige praktijk laat te vaak zien dat initiatiefnemers gedemotiveerd raken door provinciale dan wel gemeentelijke bemoeienis, die wordt gekenmerkt door bureaucratie, onvoldoende deskundigheid, regels die verschillend worden geïnterpreteerd, wisselende gesprekspartners en discontinuïteit. Er is een wereld van verschil tussen de ondernemer enerzijds en de ambtenarij anderzijds. Dat schept onnodig veel onbegrip. Alle aanwezigen betreuren dit, maar er is hoop. Zo voerde de gemeente Doetinchem het zogeheten regiemodel in; iemand met een goed initiatief krijgt een eigen ‘regisseur’ toegewezen, die alle wettelijke en administratieve rompslomp op zich neemt en alles met de desbetreffende initiatiefnemer regelt. De regisseur zorgt dat de vaart erin blijft en bewaakt de voortgang. Hij overlegt met een zevental adviseurs uit verschillende disciplines. Al na vier tot vijf weken weet de aanvrager waar hij aan toe is. Wordt het startsein gegeven, dan kan de gehele procedure tot aan de daadwerkelijke stichting van het landgoed in een tot anderhalf jaar rond zijn. Maar in- en uitstromende ambtenaren zorgen voor discontinuïteit en een braindrain en vormen een groot probleem. Dit zou met de instelling van een overkoepelend kwaliteitsteam waarin alle noodzakelijke disciplines zijn vertegenwoordigd ondervangen kunnen worden. Of, zoals in Doetinchem, door het nauwgezet bijhouden van een logboek waarin alles – tot en met verslagen van de diverse overleggen – wordt gedocumenteerd. Zo houdt de gemeente de relevante kennis in huis en hoeft bij vertrek van een ambtenaar het proces niet weer van voren af aan te beginnen.

Kwaliteit als uitgangspunt
Naar aanleiding van de stelling dat nieuwe landgoederen niet geschikt zijn om de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) te realiseren, stelt Marrit Klompe, beleidsmedewerker provincie Overijssel, dat er op dit moment nog te veel vanuit de instrumenten en regelingen aan nieuwe landgoederen wordt gewerkt. De kwaliteit zou het uitgangspunt moeten zijn; hoe het landschap eruit ziet, welke kwaliteiten versterkt kan worden, wat de identiteit van een plek is en hoe die verder ontwikkeld kan worden? In sommige gebieden kan een nieuw landgoed daarvoor het goede middel zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de landgoederenlandschappen. Bedenk wel dat het gaat om landgoedjes met een zeer beperkte omvang van 5 tot 10 ha, terwijl traditionele landgoederen vele malen groter zijn. Om bij het realiseren van de beleidsdoelstellingen optimaal gebruik te kunnen maken van particulier kapitaal en initiatief, is volgens Klompe een meer flexibele toepassing van ‘rood voor groen’-constructies nodig. ‘Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat particulieren nieuwe natuur in de EHS realiseren, terwijl het bijbehorende nieuwe rood op afstand komt te staan of ondergeschikt is aan de natuurwaarden – met kwaliteit maar zonder allure. Zij ziet goede mogelijkheden voor ‘rood voor groen’-constructies, maar dan zonder de titel nieuwe landgoederen. Die kennen immers een geheel eigen opbouw, die lang niet altijd aansluit bij de gewenste kwaliteitsimpuls.

Woongenot of natuurwaarden?
Dat brengt het debat op de stelling: de term ‘landgoed’ zou misschien beter kunnen worden vervangen door de term ‘natuurgoed’. Bij de nieuwe landgoederen gaat het immers vooral om natuurontwikkeling en daar krijg je veel eerder draagvlak voor bij de bevolking. Het beeld van statige, dure landhuizen van rijkelui, roept vaak jaloezie en tegenwerking op. Men is het erover eens dat ook op dit punt de provincie of gemeente beter een stimulerend beleid kan voeren in plaats van een toetsend beleid, dus een helpende hand toesteken in plaats van barrières opwerpen. Fiscale regelingen kunnen initiatiefnemers helpen om een steentje bij te dragen aan het landschap.
De vraag is waar het accent moet liggen: op het landgoed en het woongenot of op de natuurwaarden? Een deelnemer wijst erop dat zijn familie al generaties lang een landgoed zonder woonhuis beheert, met uitstekende resultaten. Zij zouden er graag willen wonen, maar dat mag niet omdat het gebied in de EHS ligt. Vanuit diverse provincies wordt aangegeven dat er met deze regel creatief kan worden omgesprongen, en dat daar wel een mouw aan te passen moet zijn. Of, zoals iemand het stelt: ‘Een provincie laat zich wel overhalen met goede argumenten.’ Zo kunnen volgens de regel ‘rood voor groen’ (je mag bouwen, maar dan moet je wel nieuwe natuur creëren) woonplezier en het creëren van nieuwe natuur hand in hand gaan.

Reacties op het debat
Na afloop van het debat hebben de meeste deelnemers het idee dat er een belangrijke stap is gemaakt. Iedereen beseft dat er wat moet veranderen, enerzijds om de kwaliteitsnorm omhoog te krijgen, anderzijds om duidelijker voor ogen te krijgen waar zo’n landgoed nu eigenlijk toe moet leiden. Ook voor Frans van den Meiracker, landschapsarchitect en directeur van Dorp, Stad & Land, is kwaliteit essentieel. Als adviseur van gemeenten is hij betrokken bij nieuwe landgoederen, die naar zijn inzicht niet allemaal met dezelfde intentie worden gesticht en dezelfde kwaliteit hebben. Dus is hij benieuwd naar ideeën over een ondergrens: wanneer accepteer je een aanvraag nog wel en wanneer niet meer? Hetzelfde geldt voor het begrip ‘allure’, dat men hanteert voor het woonhuis. Mag iemand een cataloguswoning neerzetten, die absoluut niet bijdraagt aan het landschap, of worden daar eisen aan gesteld?

Vragen die niet aan de orde komen in dit debat, zijn bijvoorbeeld waarom er op nieuwe landgoederen alleen wonen wordt toegestaan en slecht één gebouw, terwijl landgoederen vanouds her een productieve functie hadden met verschillende functionele bijgebouwen, die het eigendom en onderhoud van het landgoed financieel mogelijk maakten. Het debat over nieuwe landgoederen kan dus over een aantal aspecten verder gevoerd worden.
 

De debatmiddag vond plaats in het kader van het jaarthema 2010 ‘buiten’ van Kasteel Groeneveld in Baarn op donderdag 22 april 2010

reacties

reageren

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.