dossier Gelderse bouwmeesters 5 - stedenbouw als maatschappelijk bindmiddel

Sietske Heddema is geboren in Zwolle en heeft haar opleiding gevolgd aan de TU in Delft. Zij heeft destijds bewust gekozen voor een architectuuropleiding met sterke affiniteit voor de grote stedenbouwkundige schaal. Deze opleiding was destijds sterk op het ontwerpen gericht. Haar eerste werkkring had ze bij het bureau Kuiper Compagnons, waar ze aan het bekende plan Kattenbroek voor Amersfoort mocht ontwerpen in het team van Ashok Bhalotra.
 
Daarna was ze als stedenbouwkundig adviseur verbonden aan kleinere gemeentes zoals Woerden, Hendrik- Ido- Ambacht en Leiderdorp. In deze tijd heeft ze het stedenbouwkundig adviseurschap pas echt geleerd. In 1996 volgde de overstap naar de gemeentelijke organisatie van Arnhem. Ze was daar onder andere supervisor voor de herstructurering van de wijk Malburgen.

Nu werkt ze bij de gemeente Apeldoorn als hoofd stedenbouw en cultuurhistorie. Ze was teamleider onder Albert Fien en volgde hem op na zijn pensionering. Heddema is naar eigen zeggen ‘apetrots op de diversiteit van het team’. Dit team telt ruim 15 deskundigen op het gebied van stedenbouw, cultuurhistorie, archeologie en communicatie. Juist in het samenbrengen van de twee, vaak gescheiden werkvelden cultuurhistorie en stedenbouw ontstaat volgens haar een goede synergie: behoud van erfgoed door ontwikkeling, ontwikkeling vanuit de genius loci van de plek. Deze combinatie is in de huidige tijd met beleidsfocus op herbestemming en nieuwe monumentenzorg zeer vruchtbaar. Door de eigen communicatiemedewerker is de afdeling in staat cultuurhistorie uit te dragen.

Inspiratoren
Ze is een bevlogen stedenbouwkundige, met een sterke affiniteit met het ruimtelijk ontwerp en de maatschappelijke component daarvan. Met haar beeldende taalgebruik weet ze haar ideeën goed over te brengen. Als inspirators noemt ze Pieter Verhagen en Rein Geurtsen, vanwege hun ambachtelijk en doortimmerde ontwerpaanpak. Op basis van de lessen van deze leermeesters heeft ze haar eigen visie ontwikkeld, met name door het verweven van sociale en maatschappelijke componenten. In die zin is ook een buurtbewoner van de wijk Malburgen een inspirator voor haar. Iemand die het belang en positie van de bewoners heel direct en eerlijk weet te verwoorden. De inbreng van deze buurtbewoner heeft uiteindelijk veel invloed gehad op de planopzet van wijk Malburgen.
 
Waar gaat het om?
Heddema vindt een heldere visie op ruimtelijke kwaliteit en het instrumentarium daarbij heel belangrijk. De rol van de gemeente is sterk veranderd, ontwikkelingen worden veel minder in eigen beheer uitgevoerd. Dit heeft grote gevolgen voor de rol van de afdeling: het inspireren van ontwikkelaars is belangrijk geworden. Heddema vindt dat haar teamleden aan processen moeten meedoen ‘met ruimtelijke kwaliteit in een koffertje op hun rug’.  Sturen op kwaliteit kan alleen als ze vroeg betrokken worden bij de hoofdkeuzen van een ontwikkeling. Haar team moet kunnen uitleggen dat meer kwaliteit niet persé betekent dat een plan duurder of ingewikkelder wordt. Dat uitleggen is steeds belangrijker, het gaat steeds minder om het uittekenen van de eindsituatie.

Heddema vindt stedenbouw een integrerend vak, dat helpt bij het beter samen leven en daar vorm aan geeft. Het heeft een duidelijke maatschappelijke kant. Deze opvatting is mede gebaseerd op de wijkgedachte, waarbij een stem wordt gegeven aan de ideeën van de inwoners. Dat is niet altijd even makkelijk. De processen in Malburgen laten beide zijden zien: in de open werkateliers met inwoners zijn goede discussie geweest en is de invloed van de bewoners uiteindelijk heel groot. De keerzijde van een sterke maatschappelijke invloed kan zijn dat enkele goed georganiseerde groepen meer ‘hun zin’ krijgen dan maatschappelijk afgewogen wenselijk is. Ook hier heeft Heddema ervaring mee in haar werk. Ze toont een vroeg eigen ontwerp van een klein bedrijventerrein aan de A15 uit Hendrik- Ido- Ambacht waarin de maatschappelijke stellingname heeft geleid tot een concrete ruimtelijke vorm. De opgave is ging uit van een verzonnen ontstaansmythe. Centraal ligt een open ruimte, geflankeerd door twee verschillende bebouwingswanden. De ronde, aaneengesloten wand (de brink) staat voor het collectieve aspect, de andere kant (de meander) is opgebouwd uit losse elementen en staat voor individuele karakter van de mens.

De tijd van de ‘kaasstolp eroverheen’ in de monumentenzorg ligt volgens Heddema achter ons. Opgaven moeten benaderd worden in samenhang met het verleden en ontwikkeling. Dat kan leiden tot interessante ontwerpkeuzen. Als voorbeeld noemt ze de sprengenbeken in Apeldoorn. De discussie ging over de vraag of de sprengenbeken als autonome en continue lijnen door de stad moesten lopen, of dat ze van kleur mochten verschieten in samenhang met het wisselende karakter van de directe omgeving. Voor het laatste is gekozen omdat zo een relatie met de directe omgeving ontstaat en daarmee en een unieke en plekgebonden kwaliteit.

Instrumentarium
In het hele spel rond Ruimtelijke Ordening zijn goede en effectieve planinstrumenten van groot belang. In die instrumenten moet een balans worden gevonden tussen inspiratie en regelgeving. Inspiratie is zeker in een tijd waarbij deregulering voorop staat belangrijk, maar mag niet te vrijblijvend zijn. Als mooie voorbeelden noemt Heddema het instrument dat haar afdeling heeft opgesteld voor de ruimtelijke aansturing van de kanaalzone, vastgelegd in ‘de 10 principes van het kanaal’. De kunst is om het simpel te houden, bijvoorbeeld door een stringente kleurstelling af te spreken. Dat is eenvoudig te begrijpen en leidt tot een helder resultaat.

Uit haar Arnhemse periode heeft ze goede herinneringen aan het strategische ‘Bouwstenen document’ voor Malburgen. Dit rapport had ‘waanzinnig nut’. Het legde de belangrijkste zaken vast, zoals hoofdstructuur, basisprofielen en beeldbepalende randen, maar liet andere gebieden helemaal vrij. Een effectief rapport kenmerkt zich volgens Heddema mede door de kunst van het weglaten.

Recentelijk zijn twee nieuwe instrumenten als ‘handreikingen ruimtelijk kwaliteit’ door haar afdeling tot stand gebracht: het grote en het kleine Apeldoornse kookboek (nog in een niet vastgestelde versie). Deze producten willen inspireren bij ingrepen in het landschap en ruimtelijke ontwikkelingen binnen de dorpen van Apeldoorn. De uitdaging is om op grond van deze nieuwe instrumenten opnieuw na te gaan hoe ons welstandskader eruit zou moeten zien. Hoe ver kunnen we terug in de regelgeving, wat blijft er over? Vragen waar Heddema zich de komende tijd met haar afdeling over gaat buigen.

Apeldoorn
De gemeente Apeldoorn omvat naast een grote stad ook dertien kleinere dorpen en kernen. Ze ziet het als opgave om het contrast tussen stad en dorp te versterken, maar ook dat tussen de dorpen onderling. Dat is lastig, je moet ‘in de ziel van de dorpen kruipen’ maar belangrijk, want een groot deel van de uitbreidingsopgaven wordt in de dorpen en het buitengebied gerealiseerd.

De stad zelf krijgt ook veel aandacht. In de 70er jaren had de rijksoverheid het plan om in Apeldoorn de zogenoemde tweede schrijftafel te vestigen, grote bedrijven en instituten. Daarop vooruitlopend zijn grote delen van de bebouwing aan de rand van het centrum gesloopt. Maar veel plannen zijn niet doorgegaan, onder andere zijn de PTT en het ABP elders gevestigd. Die hiaten zijn ingevuld met bebouwing van lage kwaliteit. Daarom ligt er nu, naar Heddema’s zeggen, een nietszeggende schil rond het centrum. De gemeente wil die schil weer meer body geven met duidelijke toegangen tot het centrum. Binnen die stedelijke rand kan in het centrum de karakteristieke Apeldoornse openheid worden gewaarborgd. Die open structuur is mede te danken aan de ‘Apeldoornse huuskes’. Een cultuurhistorische analyse van de stad is daarbij heel behulpzaam en inspirerend en legt de basis voor de keuze welke karakteristieken behouden blijven.

Provinciale ambitie
Heddema vindt het belangrijk dat de provincie de toon zet in de discussie over ruimtelijk kwaliteit. Ze vindt dat de provincie ambitie moet tonen op plekken waar de (kleinere) gemeentes het niet alleen af kunnen. De provincie en gemeenten zouden met elkaar op moeten trekken en elkaar versterken. Het programma Gelders Bouwmeesterschap sluit daar goed op aan en zou een integraal onderdeel moeten zijn van provinciale beleidssturing.

klik hier voor twee voorbeelden van goed opdrachtgeverschap in Apeldoorn, volgens Sietske Heddema.

Vincent Grond

november 2010 

reacties

reageren

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.