Behaaglijke kleinschaligheid

‘Kernkwaliteit’ is het sleutelbegrip in het beleid voor de Nationale Landschappen. Het is de bedoeling dat in deze landschappen nauwkeurig omschreven kwaliteiten beschermd en ontwikkeld worden. Maar wat zijn die kwaliteiten, hoe zien ze er uit en wat wordt gedaan om ze te behouden? Elke maand bezoekt Gelders Bouwmeesterschap een van de vijf Nationale Landschappen van Gelderland: Winterswijk, Graafschap, Veluwe, Gelderse Poort en Rivierengebied. Dit keer de kernkwaliteiten van Nationaal Landschap Graafschap.
 
Vroege ontginning van woeste gronden
‘Dit is voor mij de mooiste plek in de omgeving.’ Met cultuurhistoricus Walter Knoop sta ik op een zandweggetje in het buurtschap Linde, even ten zuidoosten van het Gelderse Vorden, in het hart van de Graafschap. We turen over een historische, glooiende enk. Aan de randen enkele hoeven, waarvan de vroegere bewoners dit grote perceel honderden jaren geleden gezamenlijk hebben ontgonnen. ‘Dit is zo karakteristiek voor deze streek, een echt kleinschalig landschap.’
Een kleinschaligheid die voor kenners en Haagse beleidsmakers een van de redenen is geweest om dit gebied te benoemen tot Nationaal Landschap. Volgens onderzoekers van Alterra en het Milieu- en Natuurplanbureau is een landschap kleinschalig te noemen door de ruime aanwezigheid van bossen, bosjes, heggen, houtwallen en bomenrijen. Er schijnt zelfs een meetsysteem voor te zijn. Dit zogenoemde Kennismodel Effecten Landschap Kwaliteit (KELK) definieert een landschap als kleinschalig wanneer de waarde boven de 4 (half open, half gesloten) uitkomt. In de Graafschap voldoen daar vooral de jonge kampenontginningen en het landgoederenlandschap aan.
En de omgeving rond Linde dan? ‘Je kunt je het nu moeilijk voorstellen, maar vroeger waren alle wegen hier beplant met meidoornen, met hagen. Die zijn tijdens de grote ruilverkavelingen weggehaald, waardoor het hier nu een stuk minder besloten lijkt’, vertelt Knoop. Deze, volgens Knoop soms verwoestende gevolgen van menselijk handelen brengen hem op een meer recente ingreep. Hij wijst naar de andere kant van de enk, waar een stierenfokker een splinternieuwe villa heeft gebouwd. ‘Prima dat de man een huis bouwt, maar met wat meer creativiteit had ie best iets neer kunnen zetten wat past bij deze streek. Want weet je dat de gebouwen voor 95 procent bepalen of een landschap wel of niet gewaardeerd wordt?’
 
Van het relatief open enkenlandschap rijden we via het kampenlandschap – een aaneenschakeling van individuele ontginningen – het dichtere landgoederenlandschap ten noorden van Vorden in. Hier liggen de landerijen behorend tot de Kiefskamp en ’t Enzerink. Buitenplaatsen die voor grote boeren en rijke burgers als uitvalsbasis dienden bij de start van de eerste ontginningen van de onherbergzame woeste gronden rond 1400.
Ik vraag Knoop wat kleinschaligheid voor hem eigenlijk betekent. Hij heeft het antwoord direct klaar. ‘Kleinschaligheid is het patroon van onregelmatige percelen, gevormd door het reliëf en de waterhuishouding. Veel mensen denken vooral aan de bossen, houtwallen, overhoekjes voor de opslag van hakhout en heggen. Terecht, maar eigenlijk is de landschappelijke glooiing veel belangrijker.’ De Graafschap bijvoorbeeld is opgebouwd uit dekzandruggen met daartussen laagten en beken, ontstaan na de laatste ijstijd, toen wind het zand opstoof tot langwerpige stroken. Na de entree van de landbouw werd het minimale hoogteverschil extra benadrukt doordat de zandruggen als akkers werden gebruikt. Continue mestophoping heeft er toe geleid dat deze voormalige bouwlanden – het is nu allemaal weidegrond – als miniplateaus in het landschap liggen, gescheiden van de lagere delen door opvallende steilranden. ‘Daar, weer een’, wijst Knoop. ‘Dat is driehonderd jaar cultuurgeschiedenis, gelukkig zijn er nog genoeg over.’

Walter Knoop kent de streek als zijn broekzak. Voor het Doetinchemse Staringinstituut – een onderzoekscentrum voor het streekeigene van de Achterhoek – deed hij jarenlang landschapsonderzoek om overheden en agrariërs te adviseren over hun omgang met de omgeving. Het belang, de waarde van het kleinschalige Graafschap staat voor Knoop buiten kijf. ‘Het wordt niet voor niets een coulisselandschap genoemd: het decor wisselt steeds, van laag naar hoog, van open naar gesloten, van jong naar oud. Het is hier overzichtelijk, mensen voelen zich daar prettig bij. Kleinschalige landschappen zijn behaaglijk.’
Het decor in het landgoederenlandschap is inderdaad anders dan op de enk van Linde. Meer gesloten, met veel opgaand hout. De bossages, de wallen, de hagen, allemaal geplant op plekken die minder interessant waren voor agrarische productie.
 
We stoppen bij een statige villa, aan de rand van Vorden. Het pand lijkt historisch, maar is pas enkele jaren geleden door een rijke kapper uit de buurt neergezet. Knoop kan een glimlach niet onderdrukken. ‘Velen vinden het nep. Ik vind dat het goed aansluit bij de omgeving en bij het kasteel hier even verderop. Vooral de tuin, met die rododendrons, speelt in op de omgeving.’ Een mooi voorbeeld dus, maar landschapsliefhebber Knoop benadrukt nog maar eens dat het te vaak nog fout gaat, zoals bij de stierenboer op de enk. ‘Kijk, voor mij hoeft er geen stolp over dit landschap. Maar ik verwacht wel dat mensen die iets willen hun best doen om dat zo goed mogelijk vorm te geven. Een nieuw huis, een nieuwe stal, prima, maar doe het wel zorgvuldig.’ Even verderop de cultuurhistoricus een volgens hem goed voorbeeld van passende stallenbouw. ‘Van hout, niet te groot, witte windveren op de gevel, perfect. Het kan, dus waarom zouden niet meer boeren het zo doen. Landbouworganisaties als LTO moeten meer voorlichting over dit onderwerp geven.’
 
Op de aanwijzing tot Nationaal Landschap heeft Walter Knoop weinig aan te merken. Maar echt enthousiast is hij ook niet. Hij vraagt zich af of deze status nu echt zoveel helpt. Het gaat er toch vooral om dat mensen uit een soort van collectief belang het landschap van de Graafschap waarborgen, of het nu Nationaal Landschap is of niet. ‘Zoals ik al zei, ontwikkelingen moeten kunnen. Maar de bijzondere en glooiende verkaveling, de steilranden, de afwisseling tussen open en gesloten, dat moet in mijn ogen toch echt allemaal behouden blijven. Anders raak je de redenen kwijt waarom dit gebied juist ooit tot Nationaal Landschap is benoemd.’

Mark Hendriks

Dit artikel verscheen eerder in Landwerk.

 

reacties

reageren

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.